Waarom vaccineren tegen infectieziekten?
Voordat
vaccineren in Nederland op grote schaal werd toegepast, kwamen er veel ziekten voor die nu nog maar zelden voorkomen. Hierdoor zijn we bijna vergeten dat ze vroeger veel leed hebben veroorzaakt. Denk hierbij aan ziekten zoals difterie, polio en de mazelen. In de generaties voor de tweede wereldoorlog kende iedereen wel de kindjes die aan de zogenaamde kinderziekten overleden, handicaps aan over hielden of ernstig ziek waren geweest. Die tijd is gelukkig voorbij, doordat vanaf de jaren vijftig grootschalige vaccinatiecampagnes vele ziekten bijna of helemaal hebben doen verdwijnen in onder andere Nederland. Ook de verbetering van hygiënische omstandigheden door betere riolering, beter drinkwater, keuringsdienst van waren en dergelijke hebben een belangrijke rol gespeeld. Ook al komen de ziekten in Nederland niet of zelden voor, vaccinatie blijft belangrijk. Het uitbreken van polio epidemieën om de paar jaar, het weer optreden van kinkhoest en bijvoorbeeld de dreiging van difterie vanuit Oost-Europa tonen aan dat dit reële dreigingen blijven.
In Nederland wordt 95% van de kinderen gevaccineerd. Dit hoge percentage
vaccinaties is belangrijk om deze infectieziekten buiten de deur te houden. Als er namelijk veel ongevaccineerde kinderen en volwassenen zijn, kunnen ronddwalende ziektekiemen makkelijker vatbare mensen besmetten en keren ziekten weer terug. Hoe groter de groep gevaccineerden hoe minder kans dat een ziekte terug komt, dit effect heet groepsimmuniteit.
Ziekten kunnen ook weer opduiken via mensen die terugkomen van reizen naar landen waar deze ziekten nog volop voorkomen. Alleen als een infectieziekte wereldwijd is uitgeroeid, vervalt de noodzaak van vaccinatie zoals bij de pokken. De Wereldgezondheidsorganisatie (
WHO) heeft in 1980 de wereld pokkenvrij verklaard dankzij grootschalige vaccinatie. Datzelfde hoopt de WHO in 2010 te bereiken met polio. Maar recente uitbraken van polio in West Afrika en Indonesië vragen om voorzichtigheid.
Nadat iemand is gevaccineerd tegen dit soort ziekten is men beschermd, ook al zou men daarna nog eens met de natuurlijke ziekten in aanraking komen.
Vaccineren helpt het
immuunsysteem en zorgt ervoor dat het lichaam op gecontroleerde wijze antistoffen aanmaakt tegen de ziekmakers. Er gebeurt in het lichaam hetzelfde als wanneer een kind de echte ziekte krijgt. Het kind wordt nu echter niet ziek, maar maakt wel antistoffen aan en is daardoor beschermd tegen de infectieziekten en tegen de ernstige complicaties waarmee deze ziekten gepaard gaan.